Verslag Erfgoedteam: Energiesystemen en Archeologie

De enorme opgave van de energietransitie legt een grote druk op het ondergronds erfgoed. Om dat te behouden voor toekomstige generaties, is het belangrijk dat het zo ongestoord mogelijk in de ondergrond blijft liggen. Het verdient daarom aanbeveling om voor de aanleg van nieuwe energiesystemen zo vroeg mogelijk te inventariseren of archeologie verwacht wordt op de zoeklocaties, zodat duidelijk is welke eisen een goede omgang met het ondergronds erfgoed stelt aan de plannen en het proces. De mogelijkheden voor behoud in situ en archeologievriendelijk bouwen kunnen dan in een vroeg stadium worden verkend.

Dit jaar heeft de RCE drie kenniskaternen met bijbehorende infographics gepubliceerd waarin de mogelijke impact op de (archeologie in de) ondergrond bij de aanleg van windmolenparken, warmtesystemen en zonneparken in kaart is gebracht. Ook is hierin een handreiking opgenomen voor de wijze waarop archeologie kan worden meegenomen in het planvormingsproces.

Reden genoeg om het onderwerp ‘energiesystemen en archeologie’ te agenderen in een nieuwe sessie van het Erfgoedteam waarin sprekers Els Romeijn (RCE), Monica Dütting (medeauteur kenniskaternen en Gemeente Tilburg) en Cecilia Verschoor (RCE) ons bijpraatten over het onderwerp op 23 november 2022.

Els Romeijn

Els is bij de RCE betrokken bij het RCE-Programma Erfgoed en Duurzaamheid, en was opdrachtgever voor de ontwikkeling van de kenniskaternen en infographics. Deze kenniskaternen zijn ontwikkeld voor professionals op het gebied van erfgoed, duurzaamheid en/of duurzame leefomgeving.

Nationaal Klimaatakkoord

Els schetste in het kort de aanleiding van (de gevolgen van klimaatverandering en de noodzaak van reductie van de CO2-uitstoot) en de aanloop naar het klimaatbeleid zoals opgenomen in het huidige coalitieakkoord, via het Klimaatverdrag van Parijs in 2015, het Nationale Klimaatakkoord (2019) en het Klimaatplan (2020). Het doel van het Nationaal Klimaatakkoord is het terugdringen van de CO2-uitstoot met 49% ten opzichte van de uitstoot 1990. Maar in 2022 wordt in de programmering van het Beleidsprogramma Klimaat inmiddels gerekend met een reductie van 60%.

Om de uitstoot te verlagen, is een pakket maatregelen afgesproken in vijf klimaattafels, waarin het opwekken van elektriciteit, en warmte in de gebouwde omgeving, de twee belangrijkste thema’s voor het cultureel erfgoed zijn.

Uitvoering van het Nationaal Klimaatakkoord
RES-regio’s en het tijdspad

De uitvoering verloopt via het Nationaal Programma van de Regionale Energiestrategie (RES), waarin Nederland is opgedeeld in 30 regio’s, waarvan twee in Noord-Holland, met een belangrijke rol voor de ‘koepels’ (VNG, IPO, UvW). Het gezamenlijke doel van de RES is het opwekken van 35 TWh (het equivalent van meer dan 5.300 windmolens) aan hernieuwbare energie in 2030. Hiervoor wordt ingezet op bewezen technieken (zonne- en windparken en warmte-infrastructuur); na 2030 kunnen eventueel nieuwe technieken worden toegevoegd.

De RES kent vier pijlers: Leefomgeving, Maatschappelijke betrokkenheid, Energiesysteem en de Doelstelling 2030. De pijler leefomgeving is vanuit erfgoed bezien de belangrijkste, want het gaat hierbij over cultuurlandschap, natuur, inpassing in het landschap, het combineren van functies en het aanleggen van nieuwe energie met ruimtelijke kwaliteit. De pijler maatschappelijke betrokkenheid betreft participatie en meepraten, maar ook het stimuleren van lokaal eigendom; niet alles moet ‘van boven af’ georganiseerd worden. De pijler energiesysteem gaat over de grote veranderingen, zoals een fijnmaziger netwerk van verbindingen in het energienet, en de mogelijkheden voor opslag van energie. Tenslotte de vierde pijler, de doelstelling, betreft het bereiken van de duurzame opwek van 35 TWh in 2030, met behulp van ijkmomenten. Het gaat om de opwek van energie op land, niet op zee. De opgave gaat over de opwek van duurzame energie en warmtebronnen, maar ook om de infrastructuur.

Inrichting van de Regionale Energiestrategie (RES)

De RES-regio’s hebben tot 1 juli 2023, wanneer een tussentijds ijkmoment is voorzien, om zoekgebieden uit te werken waarin concrete locaties met aantallen wind of zonne-energiebronnen worden aangewezen en met welke systemen dat gaat plaatsvinden. Dat geldt ook voor warmtenetwerken. Om in 2030 35 TWh aan duurzame energie beschikbaar te hebben moeten de benodigde omgevingsvergunningen er in 2025 liggen. De hiervoor noodzakelijke uitbreiding van het elektriciteitsnet loopt parallel.

Kennisdeling door de RCE

De RCE heeft vanuit het (nationaal) belang voor erfgoed en het streven naar een herkenbaar landschap Nederland onderverdeeld in drie categorieën:

  • Categorie 1: aandacht voor het landschap, streef naar kwaliteit;
  • Categorie 2: wees zorgvuldig, advies gewenst (betreft bijvoorbeeld nationale parken, wederopbouwgebieden, beschermde stad- en dorpsgezichten);
  • Categorie 3: blijvend beschermd, neem contact op met RCE (betreft bijvoorbeeld werelderfgoederen, beschermde monumenten (archeologisch, dan wel gebouwd erfgoed), landgoederen).

Deze categorieën geven initiatiefnemers en vergunningverleners duidelijkheid over de rol en opstelling van de RCE bij de plannen in het kader van de energietransitie. Per categorie zijn generieke en specifieke publicaties uitgebracht, waarvan de infographics en kenniskaternen over archeologie voorbeelden zijn. De publicaties zijn gemaakt voor meerdere doelgroepen; naast de archeologieprofessional ook voor duurzaamheidsprofessionals. In de katernen staat de taal van duurzaamheid centraal; voor archeologieprofessionals wordt uiteengezet welke vragen je in welk stadium kunt stellen, voor duurzaamheidsprofessionals wordt uitgelegd wat archeologie is en hoe je daar rekening mee kunt (moet?) houden.

Bevoegd gezag

Bij de aanleg van energiesystemen is niet altijd de gemeente het bevoegd gezag. Bij projecten vanuit Rijkscoördinatieregeling is deze weggelegd voor het Rijk (via de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)). Het gaat dan om windparken boven 100 MW en om zonneparken boven 50 MW. De provincie is bevoegd gezag bij windparken tussen 5 en 100 MW, bij windparken tot 5 MW is de gemeente dat. Bij zonneparken onder 50 MW is de provincie of de gemeente bevoegd gezag. Via bestemmingsplannen en inpassingsplannen hebben gemeenten (resp. provincies) wel de bevoegdheid om windparken ruimtelijk in te passen.

Wat betreft windparken op zee, die buiten de RES vallen, benadrukte Els dat de aanlanding van kabels vanuit zee en aansluiting op het landnetwerk aandacht behoeft vanwege verstoring van de ondergrond en van archeologie.

Grondverzet bij de installatie van windmolenparken
Monica Dütting

Monica Dütting heeft samen Jolanda Bos en Martin Hense in opdracht van de RCE de eerdergenoemde kenniskaternen en bijbehorende infographics ontwikkeld. Twee van deze documenten betreffen specifiek het winnen van warmte.

Er zijn diverse manieren om warmte uit de ondergrond te winnen. Deze technieken hebben een verschillende impact op de ondergrond. In haar presentatie ging Monica vooral in op de effecten op de ondergrond die warmtenetwerken met zich meebrengen. Zij noemde de vier verstoringsbronnen:

  • Diepe geothermie
  • Ondiepe bodemenergie
  • Restenergie of biomassa
  • Warmte-transport inclusief extra installaties.
Geothermie

Bij geothermie gaat het in de regel om het winnen van warmte uit watervoerende lagen tot een diepte van ongeveer 4 km. In Nederland geldt in principe dat hoe dieper de warmwaterlaag is gelegen, hoe warmer het water is. Dit warme water wordt aangeboord en opgeboord, waarna de warmte wordt onttrokken om verwarmingswater op te warmen. Daarna wordt het iets afgekoelde grondwater terug de bodem ingepompt. Het grondwater wordt niet rechtstreeks gebruikt voor verwarming.

Wat betreft verstoring van de ondergrond heeft met name de opsporing van de diepere waterlagen veel impact. In deze opsporingsfase wordt een groot, tot meer dan 1 ha werkterrein aangelegd dat plaats biedt aan een boortoren en benodigde installaties. In West-Nederland wordt dit geasfalteerd werkterrein ook onderheid. Deze fase valt onder de mijnbouwwet, waarbij het Rijk het bevoegd gezag is (Minister van Economische Zaken). Voor gemeenten is wel zaak in dit stadium al betrokken te worden en te blijven.

Ondiepe bodemenergie

Het winnen van warmte uit ondiepere lagen tot 500 meter gebeurt meestal door middel van een gesloten systeem, waarbij een vloeistof in buizen in lussen in de bodem wordt verwarmd met warmte uit het warme grondwater. In de zomer wordt het systeem gebruikt voor het koelen, in de winter juist voor verwarmen. Een gesloten systeem kan in verschillende vormen worden aangelegd.

Voor deze methode is geen grootschalige boorlocatie zoals bij geothermie nodig. Toch kan de verstoring van de ondergrond hierbij aanzienlijk zijn, vanwege het aantal buizen dat hiervoor in lussen moet worden aangelegd. Dit is vooral afhankelijk van de aanlegwijze (verticale, horizontale of korfvormige lussen) en -diepte.

Als erfgoedambtenaar is het dus belangrijk om goed navraag te doen naar welk systeem op welke wijze aangelegd gaat worden, vanwege diepe verstoringen die plaats kunnen vinden.

In principe is de gemeente bevoegd gezag, maar het is mogelijk dat de aanleg van deze systemen onder de radar blijft voor erfgoedambtenaren, gemeentelijk archeologen of regioarcheologen. In sommige gevallen is voor dit soort systemen een omgevingsvergunning beperkte milieutoets nodig, bijvoorbeeld wanneer de aanleg in een interferentiegebied ligt met andere kabels en leidingen.

Bij een open systeem worden watervoerende lagen aangeboord en wordt warm water opgepompt dat wordt onttrokken. Dit water is minder warm dan bij geothermie en moet vaak bijverwarmd worden. Omdat het gaat om het winnen van water uit grondwater, is de provincie hierbij bevoegd gezag.

De impact van warmte en warmteinfrastructuren
Restwarmte biomassa, energiecentrales, afvalverbranding

Warmte kan ook gewonnen worden in de vorm van restwarmte van energiecentrales of afvalverwerking. In deze gevallen is met name de aanleg van warmteleidingen (warmtetransport) de ingreep die voor verstoring zorgt, waarbij het gaat om lange tracés.

Warmtetransport

Voor de aanleg van warmtetransport wordt niet alleen de leidingsleuf gegraven, maar ook een werkstraat van zo’n 15 tot 20 m breedte waarvoor de bovengrond tijdelijk kan worden afgegraven en worden werkterreinen gebouwd. In het geval van gestuurde boringen worden in- en uittredepunten aangelegd. In alle gevallen is de diepte en breedte afhankelijk van het type transport. In de meeste gevallen is bij de aanleg van deze leidingen de gemeente het bevoegd gezag

Ook in (historische) binnensteden kan voor de aanleg van een warmtenet worden gekozen. Echter, de leidingen mogen niet te dicht bij bestaande leidingen zoals drinkwaterleidingen liggen waardoor aanleg in bestaande, al verstoorde leidingsleuven geen optie is.

Monica sloot haar presentatie af met paar tips:

  • Zorg dat je vroeg genoeg aan tafel zit en laat je informeren over de gekozen methode en de aanlegwijze;
  • Zoek naar ‘natuurlijke partners’ binnen en buiten je organisatie;
  • Krijg duidelijkheid over welk bevoegd gezag wanneer aan zet is; maak afspraken over samenwerking;
  • Bureauonderzoek of een risico-inventarisatie kan altijd, ook als het tracé of de werkzaamheden nog niet helemaal vastliggen;
  • Vraag regelmatig na en door over hoe het project loopt, wat de wijzigingen zijn, of er al meer duidelijkheid is over werkwijze en aanpalende (tijdelijke) maatregelen.
Cecilia Verschoor

Cecilia Verschoor is consulent bij de RCE voor onder andere Noord-Holland. Daarvoor was ze voor diverse gemeenten in Drenthe werkzaam. Met de impact van zonneparken, windmolenparken en warmtenetwerken op de ondergrond/archeologie was Cecilia, gelijk aan veel anderen, aanvankelijk niet bekend. Deels komt dit door de brede opgave met een diversiteit aan systemen. Maar ook de initiatieven zijn heel divers; middels landelijke, provinciale of juist particuliere initiatieven worden projecten ontwikkeld. Wat start als grootschalig project onder de titel ‘energietransitie’, komt als omgevingsvergunningsaanvraag bij de gemeenten terecht. De ontwikkelingen en archeologie zijn maatwerk.

Grote energieprojecten vanuit Rijksoverheid starten vaak vanaf de uitwerking van zoekgebieden. De ervaring leert dat archeologie niet bepalend is in die locatiekeuze. Er zijn altijd andere belangen, maar het is ook heel complex om in een globaal programma aan te geven wat concreet de impact is op archeologische resten. Door een quickscan te laten opstellen kun je wel een risicoanalyse maken, wat een hulpmiddel kan zijn om archeologie te bespreken.

Bij provinciale en gemeentelijke plannen heb je vanuit de gemeente meer invloed. Dat geldt ook voor particuliere initiatiefnemers, omdat de gemeente daarbij in de regel bevoegd gezag is waardoor je concreter onderzoek kunt doen.

Hoewel voorheen de aanleg van energiesystemen werd benaderd als een reguliere vorm van ruimtelijke ontwikkeling, is ondertussen bekend dat je de juiste vragen moet stellen en kennis moet krijgen om goed geïnformeerd te raken. De kenniskaternen dragen daar sterk aan bij.

Een mooi voorbeeldproject is het plan de ‘Zonneroute A37’ tussen Hoogeveen en de grens. Bij dit plan zijn Rijkswaterstaat, het Rijksvastgoedbedrijf, de provincie Drenthe en drie gemeenten betrokken. Langs en tussen rijbanen, al dan niet verwerkt in geluidsschermen, en binnen de lussen van klaverbladen worden zonnepanelen aangelegd. Daarbij was veel aandacht voor het inpassen en accentueren van het landschap, onder andere ook door kleurgebruik van de panelen. Hoewel archeologie niet bepalend is, wordt het wel gespaard door de keuze van een plek waar geen archeologie (meer) is.

Een belangrijk leerpunt in dit planvormingsproces was de voorbarige uitvoering van een archeologisch bureauonderzoek, nog voor het plan concreet is geworden. In een dergelijk voortijdig stadium van de planvorming waarbij technische aspecten van de concrete ingrepen (waar, tot welke diepte) nog niet bekend zou een quickscan haar voorkeur hebben ten opzichte van een kostbaardere (KNA-conform) bureauonderzoek. Als zij als voor archeologie/erfgoed verantwoordelijk gemeenteambtenaar eerder bij het proces was betrokken, had ze daar meer invloed op kunnen uitoefenen.

Funderingspalen van zonnepanelen beïnvloeden archeologische vindplaatsen
Vragen en discussiepunten

Biedt de gebruikelijke AMZ wel voldoende ruimte voor dit soort projecten, gezien de lange tracés en de snelheid van de uitrol van dit soort projecten?

Cecilia: Ja, dat kan, maar voorwaarde is (opnieuw) het in een vroeg stadium erbij betrokken worden. Dan kunnen juist met een quickscan relatief snel de archeologische pijnpunten in kaart worden gebracht. Dat kan tijdswinst opleveren bij de uitvoering van vervolgonderzoek, te beginnen met het bureauonderzoek dat dan meestal niet (meer) voor het gehele plangebied opgesteld hoeft te worden.

Hoe zit het met behoud in situ bij dit soort projecten?

Cecilia: Het klopt dat de (tijds)druk vaak te groot is om hier serieus werk van te maken. Andere factoren wegen toch vaak zwaarder, is mijn ervaring.

Zie je kansen voor vergroten van beleving van de archeologie binnen dergelijke projecten? Bijvoorbeeld zoals bij de Zonneroute langs de A37?

Els: een goed voorbeeld is bij het archeologisch rijksmonument de Circumvallatielinie rond Groenlo (Gld.), waar de ligging van de linie als het ware is uitgespaard binnen enkele zonnevelden.

Presentaties

Download via onderstaande knoppen de presentaties van Els Romeijn en Cecilia Verschoor.

(Tekst: Ivo Vossen en Annika Blonk. Beeldverantwoording kopafbeelding: Suzanne Dorst via Unsplash; infographics door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.)

Deel dit artikel

Categorieën

Tags

Gerelateerde berichten

  • [Persbericht] Lancering vijfde editie erfgoedtijdschrift ode

    Categorie: Archeologie, Cultuurlandschap, Duurzaamheid, Gebouwd erfgoed, Omgevingswet

    Op woensdagmiddag 19 juni 2024 lanceerde het Steunpunt Cultureel Erfgoed Noord-Holland tijdens het symposium Samen Slimmer bij de Groene Afslag de vijfde editie van erfgoedtijdschrift ode.

  • ode 5

    Categorie: Archeologie, Cultuurlandschap, Duurzaamheid, Gebouwd erfgoed, Omgevingswet

    Deze editie van ode gaat over het belang van omgevingskwaliteit door erfgoed, waarbij erfgoed wordt bezien in relatie tot alle ruimtelijke opgaven waaraan we werken, zoals de energietransitie en waterveiligheid. De auteurs bieden verschillende perspectieven op dat vraagstuk.